Bont en blauwe oceanen
Hoe krijgen we onze zeeën en oceanen weer schoon?
Over deze les
Onze aarde bestaat voor het grootste deel uit zeeën en oceanen. Helaas zijn deze flink vervuild. We kennen de plasticsoep, maar eens in de zoveel tijd vindt er helaas ook een olieramp plaats. Allemaal zeer schadelijk voor het leven in en rondom het water, maar ook indirect voor ons mensen. Tijdens deze les onderzoeken de leerlingen hoe schoon water lijkt en hoe schoon het werkelijk is, maken ze kennis met verdunningstechnieken om een vervuilende stof minder schadelijk te maken en leren ze hoe de dichtheid van verschillende vloeistoffen gevaar kan opleveren voor de natuur. Al deze kennis komt samen in een opdracht waarin de leerlingen de uitdaging aangaan een vervuilde modeloceaan olievrij te maken. Gaat het ze lukken?
Leerdoelen:
- Milieukundige onderwerpen met betrekking op ons waterstelsel.
- In groepsactiviteiten de gevolgen van een olievlek en ontdekken waarom het zo moeilijk is om die op te ruimen.
Onderwijsdoel(en):
- OWna2: In verschillende biotopen vaak voorkomende organismen waarnemen, onderzoeken, benoemen en ordenen.
- OWna6: Het weer en het klimaat waarnemen, onderzoeken, beschrijven en vergelijken; aantonen hoe leefgewoonten mee bepaald worden door het weer en het klimaat.
- OWna7: Ervaren, onderzoeken, vaststellen en illustreren hoe mensen de natuur en het milieu zowel op een positieve als negatieve wijze beïnvloeden.
- OWte9: vaststellen en uitdrukken dat technische systemen nuttig, duurzaam, gevaarlijk en of schadelijk kunnen zijn voor zichzelf, anderen, natuur en milieu.
- GO! W&T 1.2: De leerlingen kunnen, onder begeleiding, minstens één natuurlijk verschijnsel dat ze waarnemen via een eenvoudig onderzoek toetsen aan een hypothese.
- GO! W&T 1.24: De leerlingen kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren hoe mensen op positieve, maar ook op negatieve wijze omgaan met het milieu.
- GO! W&T 2.18: De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden uit verschillende toepassingsgebieden van techniek illustreren dat technische systemen nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kunnen zijn voor henzelf, voor anderen of voor natuur en milieu.
